Het gebouw was een initiatief van drie fruitimporteurs: Jan van den Brink's Im- en Exporthandel, Velleman en Tas en Citronas. De eerste twee bedrijven vestigden zich ook in het complex. De opdracht ging in 1951 naar het bureau Van Tijen en Maaskant. Het gebouw is een goed voorbeeld van de architectuur van beton en baksteen van deze architecten van rond de Tweede Wereldoorlog. Het veilinggebouw is verwant aan het Nationaal Luchtvaartlaboratorium in Amsterdam uit 1940 en aan de industriegebouwen aan Oostzeedijk (1947) en Goudsesingel (1949). De oplevering in 1955 viel samen met de verbreking van de architectenassociatie. Maaskant maakte het ontwerp in nauwe samenwerking met zijn medewerker P.W. van Dommelen.
Het langwerpige bouwterrein was ingeklemd tussen de Marconistraat en de havenspoorlijn, die aan de noordwestzijde een aftakking had. De bocht van deze aftakking was bepalend voor de vorm van het complex. Het eigenlijke veilinggebouw wordt in het uiterlijk gedomineerd door de halfronde zaal, die uitkraagt over de vastgestelde rooilijn. Het verder rechthoekige gebouw is aan de noordwesthoek afgeschuind om vrachtauto's toegang tot het terrein te verlenen. Een lager bouwdeel is iets naar achteren geplaatst. Het bevat op de begane grond opslagruimte en op de verdieping kantoorruimtes voor de twee fruitimporteurs. Twee glazen trappenhuizen zijn aan weerszijden vooruit geschoven. Aan de achterzijde van dit bouwdeel bevindt zich een laadperron naar de spoorlijn.
Het eigenlijke veilinggebouw bestaat uit drie bouwlagen. De amfitheatervormige zaal op de eerste verdieping komt overduidelijk naar voren in de buitenkant. De begane grond met de entree onder de uitkragende zaal heeft een grotendeels glazen voorgevel. Boven de entree bevindt zich een insteekverdieping met garderobe. De rest van de hal is open en dubbelhoog en bevatte de monsterzaal, waar handelaars het fruit konden keuren. De ruimte was spoedig te klein en in de jaren zestig werd ten westen van het gebouw een grotere monsterzaal gebouwd. Trappenhuizen aan weerszijden leiden naar de trapeziumvormige veilingzaal met oplopende vloer, die plaats biedt aan vierhonderd personen. Via daklichten wordt de zaal verlicht. Rondom de zaal is een wandelgang gelegd, waar in de gesloten straatgevel tien glazen telefooncellen en het kamertje van de telefoniste als een soort erkers zijn aangebracht. Achter de zaal ligt de kantine. Aan de westkant bevindt zich een conciërgewoning. Aan de oostkant zijn tussen de veilingzaal en het langwerpige bijgebouw een vergaderzaal en toiletten gesitueerd.
De gewapend betonconstructie is zowel in de gevels als in het interieur in het zicht gelaten. Het gebogen dak van de veilingzaal wordt gedragen door vijf spanten van voorgespannen beton. De invulling van de gevels met baksteen en glas benadrukt de niet-dragende functie. Het hele gebouw en met name het interieur met de donker gelakte bankjes, de uitklapbare formica schrijfbladen en de telefooncellen ademt de sfeer van de jaren vijftig:. Geglazuurde baksteen, matglas, houten wandbekleding en natuurstenen vloeren vullen dit beeld aan.
Het gebouw is sinds 2010 in gebruik als locatie voor feesten, congressen en evenementen. De grote zaal biedt plaats aan 400 bezoekers.
Literatuur: